Inhoud omgevingsvisie

De gemeente heeft vóór 1 januari 2027 een omgevingsvisie vastgesteld die voldoet aan de eisen van en het gedachtengoed achter de Omgevingswet.

De Omgevingswet is ontworpen vanuit de gedachte dat de overheid een eenduidig beleid heeft, vastgelegd in een omgevingsvisie, en dat ook uitvoert. De omgevingsvisie is een integrale visie met strategische hoofdkeuzen van beleid voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn. En een integrale visie draagt bij aan een betrouwbare overheid met één gezicht naar buiten. Het ligt voor de hand dat er een nauwe relatie is tussen de inhoud van uw visie en de instructieregels, overige beleidsdocumenten en interbestuurlijke of regionale afspraken (Kaderstellende documenten en afspraken).

1. Integraliteit

Eén van de grootste uitdagingen van de omgevingsvisie is het maken van integrale beleidskeuzes. Hoe komt u tot een integrale afweging van belangen in de fysieke leefomgeving? Lukt het om stappen te maken van sectorale wensen naar heldere en realistische beleidsambities? Het niet maken van keuzes in de omgevingsvisie, impliciet of expliciet, kan betekenen dat u deze keuzes opnieuw tegenkomt bij het inrichten van programma’s en het omgevingsplan. Dit kan ook een risico vormen voor de projectbeheersing (zie Beheersingsstrategie).

2. Onderwerpen

Juist op het strategisch niveau zijn verbanden in de fysieke leefomgeving aan de orde. Concreet betekent dit dat een omgevingsvisie onder meer ingaat op de samenhang tussen bouwwerken, water, watersystemen, bodem, lucht, natuur, landschap, infrastructuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed, aansluitend bij de reikwijdte van het begrip fysieke leefomgeving.

3. Detailniveau

De brede reikwijdte van de omgevingsvisie wil niet zeggen dat u alle onderwerpen tot in detail moet uitwerken; het gaat om de hoofdlijnen. Dat is aan u als gemeente. Daarnaast kunnen ook andere aspecten dan de fysieke leefomgeving een plek krijgen in de omgevingsvisie. Uitgaande van de gehele fysieke leefomgeving kunnen in een omgevingsvisie accenten worden gelegd en prioriteiten worden gesteld. Hoe gaat u hiermee om? Tot welk detailniveau gaat u in de visie? En lukt het u met dit niveau om oud beleid overbodig te maken en te laten vervallen/intrekken?

4. Inhoud

4. Inhoud

Artikel 3.3 bevat beginselen waarmee in de visie rekening moet worden gehouden. Artikel 3.2 van de Omgevingswet benoemt 3 verplichte onderdelen van de omgevingsvisie:

  1. een beschrijving van de hoofdlijnen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving (art. 3.2, onder a).
  2. de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming en het behoud van het grondgebied (art 3.2, onder b).
  3. de omgevingsvisie bevat de hoofdzaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren integrale beleid (art. 3.2, onder c).

Het ligt voor de hand om deze onderwerpen in nauwe samenhang uit te werken. Hier lijkt een nauwe relatie te liggen met de onderbouwing voor de ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL) die een centrale positie inneemt in het omgevingsplan. Hoe dit precies uitpakt moet blijken uit verdere verdieping en jurisprudentie.

Ook is er een nauwe relatie met de ‘beleidskaart’ (zie Uitwerking in programma’s en omgevingsplan), een hulpmiddel/tussenstap om de omgevingsvisie te vertalen naar programma’s en het omgevingsplan.

5. Sturingsfilosofie

5. Sturingsfilosofie

Verder kunt u in de visie ingaan op de sturingsfilosofie. Dit gaat over het type in te zetten instrumenten en opvatting over de eigen rol daarbij. Zo wordt duidelijk voor welke zaken de gemeente verantwoordelijk is en wat zij aan anderen (mede-overheden, ketenpartners, burgers en bedrijven) overlaat. Er zijn 3 basisrollen te onderscheiden:

  • de regulerende, instruerende, kaders stellende overheid
  • de samenwerkende, regisserende, stimulerende overheid
  • de ondersteunende, faciliterende overheid

Hier ligt een relatie met uw visie op samenwerking en integraliteit.

6. Tijdshorizon

Welke tijdshorizon kiest u voor uw omgevingsvisie? 2030? 2040? Nog een ander jaar? Sluit de tijdshorizon aan bij de ontwikkelstrategie? We zien gemeenten die 8 jaar nemen. Dit impliceert dat dit type visie een bepaalde houdbaarheid heeft en periodiek geactualiseerd moet worden. Ondanks dat de Omgevingswet geen verplichting tot actualisering van de visie kent, bent u er namelijk wel toe gehouden om het beleid (de visie) actueel te houden. Ook zien we gemeenten die de visie veelvuldig denken te gaan actualiseren, als een dynamisch instrument. Dus zonder een herkenbaar herzieningsmoment. Zie hiervoor ook Proces, procedures en techniek.

7. Onderscheid met programma

De Omgevingswet maakt onderscheid tussen strategisch beleid (in omgevingsvisies) en meer uitvoeringsgericht beleid (in programma’s). Het is de bedoeling dat het strategische beleid voor langere tijd wordt vastgelegd en niet met alle winden meewaait. Tegelijkertijd moet het mogelijk zijn de uitvoering flexibel in te richten zonder het ontwikkelingsbeeld voor de lange termijn geweld aan te doen. De uitdaging is om hier een balans in te vinden. We zien gemeenten hier heel verschillende keuzes in maken, afhankelijk van de lokale situatie en ambities. Zo zijn er gemeenten die een grote rol geven aan gebiedsgerichte programma’s.

Meer informatie en ondersteuning