De gemeente heeft strategische keuzes gemaakt hoe zij in de loop van de transitieperiode de instrumenten in de planketen (door)ontwikkelt.
Dit vraagstuk gaat in de kern over uit- en infaseren: hoe gaat u over van het werken met het tijdelijk deel van het omgevingsplan, verordeningen, TAM-IMRO en BOPA’s naar het integrale omgevingsplan? U heeft hier echt iets te kiezen. Dit is het hart van de transitiestrategie waar veel zaken samenkomen en u uw strategische afwegingen maakt.
Een belangrijke vraag die u zichzelf bij elke keuze kunt stellen: ligt het (inhoudelijk en technisch) zwaartepunt van uw transitie (en dus de baten en lasten!) in de komende jaren of juist wat meer richting 2032? Hier ligt ook een belangrijke link met uw planning en kostenraming. Uiteindelijk zult u uw ontwikkelstrategie willen uitwerken in het (tactische) ontwikkelpad: het concrete plan van aanpak voor het ‘vullen’ van uw nieuwe omgevingsplan gebaseerd op de ontwikkelstrategie.
1. Samenhang tussen de instrumenten in de planketen
De instrumenten in de planketen hangen met elkaar samen. Idealiter volgt u de beleidscyclus en ontwikkelt u eerst de omgevingsvisie, waarna u de keuzes uitwerkt in programma’s en het omgevingsplan. In de transitiefase is er veelal nog geen sprake van deze ideale volgorde. Hoe gaat u in samenhang de instrumenten (door)ontwikkelen? Waar begint u mee? Wat kan parallel? Wat moet serieel? Het opstellen van een ‘beleidskaart’ (zie Uitwerken omgevingsvisie in programma’s en omgevingsplan) kan helpen om inzicht te krijgen.
2. Fasering van overstappen op STOP en afbouwen IMRO
Dit speelt bij de omgevingsvisie en bij het omgevingsplan.
- Omgevingsvisie: Het is belangrijk dat u uw positie bepaalt en scherp heeft wat u nog te doen staat met betrekking tot de visie. Heeft u vooruitlopend op de Omgevingswet al een omgevingsvisie opgesteld in IMRO? Of beschikt u wellicht al over een visie in STOP? Dan heeft u een andere startpositie dan dat u in zijn geheel hier nog niet mee bezig bent. Uiterlijk op 1 januari 2027 moet u over een omgevingsvisie beschikken die voldoet aan de eisen van de Omgevingswet. Belangrijk daarbij is dat een visie in IMRO op zijn laatst in IMRO aangepast kan worden op 31-12-2024. Het is daarom belangrijk om uw keuzes over de transitie van de omgevingsvisie te bezien in nauwe relatie tot uw beleidsambities (zie Inhoud omgevingsvisie). Heeft u al een richting bepaald?
- Omgevingsplan: Opbouwen van het omgevingsplan doet u in de nieuwe technische standaard STOP/TPOD. Maakt u op dit moment al gebruik van STOP? Of heeft u een strategie om de overstap te gaan maken? We noemen een drietal veelgebruikte criteria om te starten met STOP. (i) Voor veel gemeenten is een belangrijk punt het geleidelijk beschikbaar komen van mogelijkheden voor parallel wijzigen van het omgevingsplan in de software (zie ook Software- en informatiestrategie). Wat kan er nu al, wat heeft u in eigen hand (eventueel met workarounds) en waar bent u echt afhankelijk van uw softwareleverancier? (ii) Een tweede punt is of u al een keuze heeft gemaakt voor de systematiek en structuur van uw omgevingsplan, zodat u weet waar wijzigingen moeten landen. Heeft u nog geen structuur gekozen, dan kan het werken met tijdelijke hoofdstukken (transitiehoofdstukken) in het nieuwe deel een strategische optie zijn. In een later stadium integreert u de tijdelijke hoofdstukken alsnog. Voordeel: dit biedt ruimte om nu te bewegen, zonder dat de regels al op de definitieve plek hoeven te staan. Nadeel: u heeft dubbel werk en de eventuele juridische onzekerheden bij het overzetten. (iii) Een laatste punt zijn de onzekerheden en onwetendheden die onlosmakelijk verbonden zijn met het werken met een nieuwe standaard. Kunt u de risico’s die dit geeft verminderen met oefenen en andere maatregelen (zie ook Beheersingsstrategie)?
3. Globale volgorde van het opbouwen van het omgevingsplan bepalen
De bruidsschat zo snel als mogelijk verwerken of juist langer intact laten? Verordeningen nu verwerken of juist aan het einde van de transitieperiode. Beginnen met bestemmingsplannen of juist niet? We zien dat gemeenten hier verschillende afwegingen in maken.
4. Beleidsarm of beleidsrijk over?
Dit gaat over de keuze of u bestaande regels eerst (zoveel mogelijk) ongewijzigd overzet in de nieuwe standaard of dat u meteen nieuwe beleidskeuzes verwerkt, in de geest van de Omgevingswet. In het eerste geval legt u het inhoudelijke zwaartepunt van uw transitieperiode meer naar achteren, in het tweede geval meer naar voren. Een motief kan zijn dat beleidsarm overzetten minder (doorloop)tijd vergt en minder beroepsprocedures zal opleveren (inhoudelijk verandert er weinig tot niets). Als een wijzigingsbesluit snel onherroepelijk is, dan kan dat de nodige zekerheid bieden bij de verdere opbouw. Punt van aandacht is wel dat u later mogelijk nogmaals met deze beleidsarm overgezette onderwerpen aan de slag moet om beleid te verwerken. Onzekere factor is hoe u bij beleidsarme omzetting met de MER-plicht dient om te gaan (Mer-strategie). Een keuze voor eerst beleidsarm overzetten kan voor hetzelfde onderwerp mogelijk twee keer tot een MER-plicht leiden.
Omgekeerd kost beleidsrijk overzetten waarschijnlijk juist meer (doorloop)tijd en geeft het extra onzekerheid vanwege mogelijke beroepsprocedures. Maar u kunt de onderwerpen wel in één keer echt integreren in het nieuwe deel (al dan niet in een tijdelijk hoofdstuk). Uw keuze voor beleidsarm of beleidsrijk kan ook van onderwerp tot onderwerp verschillen, afhankelijk van (de urgentie van) de beleidsambities van de gemeente (zie ook Inhoud omgevingsvisie). Verder is hier een belangrijke relatie met de participatiestrategie en de mer-strategie.
NB: Volledig beleidsarm overgaan is niet mogelijk. U moet namelijk steeds zorgen dat overgezette regels voldoen aan de instructieregels en dat uw omgevingsplan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5. Kleine of grote stappen?
Kiest u ervoor om met veel kleine wijzigingsbesluiten stapsgewijs toe te werken naar het integrale omgevingsplan, of met enkele grote, omvangrijke wijzigingsbesluiten? Beiden hebben voor- en nadelen. Een voordeel van grote stappen kan zijn dat technische belemmeringen, bijvoorbeeld bij parallel wijzigen, minder ingrijpen. Afhankelijkheden zitten namelijk in één besluit. Ook kan het zijn dat rechtsbescherming overzichtelijker wordt (aantal beroepsprocedures is beperkt in omvang). Voor het opbouwen in kleine stappen is ook wat te zeggen. Zo zijn de voorbereidingstijden korter. Bovendien bent u meer wendbaar: u kunt u beter aanpassen aan nieuwe eigen inzichten, best practices in het land en jurisprudentie. En kleine aanpassingen, bijvoorbeeld om snel meer vergunningvrij te maken, zijn snel gedaan.
Meer informatie en ondersteuning
- De omgevingsvisie: transitietermijn, technische standaard en publicatie (vng.nl)
- Keuzehulp instrumentarium wijzigen omgevingsplan (vng.nl)
- TAM-IMRO eindigt per 1 januari 2026 (nieuwsbericht 17 april 2025, vng.nl)
- Checklist: Klaar voor wijzigen van omgevingsplan met STOP? (vng.nl)
- Stand van zaken parallel wijzigen omgevingsplan (vng.nl)
- Interviewserie ‘Tot op de bodem!’ (vng.nl):